De geschiedenis tot 1860
De eerste getuigenissen van het vuistvechten vinden we in afbeeldingen op vazen welke omstreeks 1600 v. Chr. vervaardigd moeten zijn en gevonden op Kreta. Op een vaas uit die tijd staan enkele boksscènes afgebeeld. De figuren dragen hier helmen, mogelijk van leer, terwijl de handen evenals de onderarmen bedekt zijn. In de geschiedenis van het "oude boksen" kunnen we drie perioden onderscheiden in de ontwikkeling van de handbedekking.
De eerste is de periode van de zachte riemen, welke vanaf de homerische tijd duurde tot het einde van de vijfde eeuw. Dit waren riemen van ossenhuid, ongelooid of ingevet om ze soepel te maken. In werkelijkheid dienden ze eerder om de knokkels te beschermen dan om de stoten zachter te maken. De vier vingers werden zodanig in een lus gelegd dat de vuist gebald kon worden. De duim was altijd onbedekt, hoewel de riem een enkele maal er apart omheen gewikkeld was. Als regel werd de riem enkele malen om de vingers en knokkels gewonden, ging dan diagonaalsgewijs over de palm en rug van de hand naar de pols, waarna de bevestiging meestal ongeveer halfweg de onderarm werd gelegd.
De tweede periode is die van de sphairai en scherpe riemen. Deze loopt vanaf de vierde eeuw tot de latere Romeinse tijd. De zachtere riemen werden nu verdrongen door meer geduchte bedekkingen als zijnde een betere weergave van de werkelijke oorlogvoering. Deze "handschoen" bestond uit dikke banden van een of andere zachte stof welke langs de onderarm lagen en daaraan vastgebonden waren met stevige harde riemen tussen duim en vingers door. Het bevestigen van deze sphairai was moeilijk en koste veel tijd. Al snel volgde nu de vinding van een handschoen, welke vlugger aangetrokken kon worden. Deze handschoen bestond uit twee delen, een handschoen en een hard leren ring rond de knokkels. De handschoen reikte bijna tot de elleboog en eindigde in een dikke strook vacht die diende om de arm te beschermen. De handschoen zelf schijnt bekleed geweest te zijn. De einden van de vingers van de handschoen waren afgesneden en aan de binnenkant was een opening. Op de knokkels lag een dik kussen, wat de ring belette te glijden. Deze ring werd gevormd door drie tot vijf repen hard leer door smalle riemen tezamen gebonden en op zijn plaats gehouden door riemen die rond de pols bevestigd waren. Bij de Grieken zijn waarschijnlijk geen andere handschoenen gebruikt.
De derde periode is die van de Romeinse caestus. In afbeeldingen van de caestus schijnt de hand omsloten te zijn door een harde bal of cilinder met aan de rugzijde ervan een getand uitsteeksel, dat soms de vorm had van twee of drie punten. De arm was beschermd door een bekleedde mouw, die bijna tot de schouder reikte en welke gewoonlijk gemaakt was van een huid of vacht met de ruwe zijde naar binnen gekeerd en met riemen bevestigd,
Deze ontwikkeling van de handbescherming ging gelijk op met die van het professionalisme en wel voornamelijk onder invloed van de Romeinen met hun opvattingen van sport. De Romeinen hadden ook hun spelen, doch deze dienden uitsluitend tot vermaak van de toeschouwers. De spelers waren slaven of huurlingen. Tijdens het Romeinse keizerrijk ontstond een geweldige ontwikkeling van het beroepswezen. De strijders trachten elkaar door worstelen, stoten of schoppen op de grond te krijgen, zodat er meer van een ‘vuist-worstelkamp’ sprake was. Dit was ook in de Engelse ‘Prizefights’ het geval hoewel dan de wedstrijd onderbroken werd.
Bij de Grieken lag het accent op de deelnemers wat vooral in de reglementering tot uiting kwam.Er was geen ring, en daarom geen kans om de tegenstander in een hoek te drijven of hem in een gevecht tegen de touwen op te dringen. Dit leidde tot het ontgaan van het gevecht op korte afstand en tot een verdedigende en afwachtende tactiek. Er was geen sprake van ronden, het was een ‘fought to finish’.Het gevecht ging door tot een van beiden zijn nederlaag erkende door zijn hand op te steken. Er bestond geen regel die verbood te stoten wanneer de tegenstander neer was.
Men kende geen gewichtsklassen, zodat tenslotte het boksen het monopolie werd van de zwaargewicht. Het Griekse boksen dat aanvankelijk verliep met snel voetenwerk en variatie in aanval, ontwijken, duiken en slippen, werd nu statisch en langzaam. Ook bij de Grieken breekt de tijd van "daden zonder gevaar zijn eerloos" aan (Pindarus leerdichter). Het verval en daarmee de val van het boksen is dan begonnen.
Vanaf het begin heeft het boksen een plaats gehad op de Griekse spelen waarvan de Pythische, Nemeïsche, Isthmische, Pan-Atheneïsche en de Olympische Spelen de belangrijkste waren.
Het programma van de eerste Olympische spelen in 776 voor Chr. bevatte naast wagenrennen, hardlopen, discus en speerwerpen, worstelen, ook boksen. De eerste overwinnaar waarvan melding wordt gemaakt is Omastus in 688 v. Chr.
Na deze periode duikt het boksen weer op in Engeland in de 18e eeuw. Hier ontstaat de 'Prize Ring' in de school van James Figg, die zich in 1730 uitriep tot kampioen van Engeland. Er werd gebokst met blote vuisten, het waren all-in fights.
Met Jack Brouthon, een leerling van James Figg, kwamen in 1743 de eerste regels. Hij wordt de vader van het Engelse boksen genoemd. De bloeiperiode van de Prize-Ring bereikte haar hoogtepunt rond 1785. Het boksen had toen de aandacht van adel, vorsten en publiek. De gevechten speelden zich voornamelijk af in de open lucht. De ring had een afmeting van 24 voet met daarom heen een grotere ring voor helpers en vrienden. Er waren twee scheidsrechters die vaak nog een jurylid aanwezen voor het bepalen van de uitslag. De wedstrijd eindigde wanneer een van beiden opgaf of verslagen was. Een ronde eindigde wanneer een van beiden door een stoot of worp neer ging. Dan was er een pauze van 30 seconden, waarna de boksers nog 8 sec. kregen om de scratch te bereiken. De scratch was een vierkant in het midden van de ring met zijden van een yard. Soms werden aangeslagen boksers door hun helpers naar de scratch gedragen.
Het verval van de Prize Fight liet nu ook niet lang meer op zich wachten. Opzettelijk verliezen voor geld kwam herhaaldelijk voor. Ten gevolge van wedstrijden met dodelijke afloop werden rechtzittingen gehouden, waarna het boksen verder in het geheim plaats moest vinden.
In 1860 introduceerde de markies van Queensberry zijn nieuwe regels. Hier begint de periode van "glove fighting". De boksers werden ingedeeld in drie gewichtsklassen: licht-, midden- en zwaargewicht. Alle worstelen werd verboden en de partijen bestonden uit een vast aantal ronden van een bepaalde tijd. Het waren nu geen ‘finish-fights’ meer (twee ronden van 3 en een ronde van 4 minuten). De beoordeling geschiedde door een scheidsrechter en twee touwrechters. Met deze zgn. "Friendly Glove Contests" werd de basis voor het moderne boksen gelegd.
Zutphense Boks- en Conditieclub
Z.B.C.C.